Laten we ons een grote grot voorstellen, die met de buitenwereld verbonden is door een gang met zo’n lengte dat er geen daglicht in de grot valt. Er zit een rij gevangenen met hun rug naar de ingang, en ze kijken naar de achterwand van de grot. Hun ledematen en halzen zijn zo vastgeketend, dat ze hun hoofden niet kunnen bewegen en noch elkaar, noch zichzelf kunnen zien. Dit betekent dat ze alleen de wand voor zich kunnen waarnemen. Zo hebben ze hun hele leven gezeten en zijn niets niets anders gewend.

Achter hen brandt een vuur. Tussen hen en dat vuur staat een blokkade in de vorm van een muur, die zo hoog is als een mens. Aan de andere kant van die muur lopen mensen heen en weer, die allerlei dingen boven hun hoofd dragen, waaronder houten figuren van dingen, mensen en dieren. De schaduwen van die dingen vallen door het vuur op de wand, waar de gevangenen tegenaan kijken en die ook de stemmen weerkaatst van hen die die dingen sjouwen. Plato betoogt dat het enige dat de gevangenen in hun leven waarnemen schaduwen en echo’s betreffen. Ze zullen denken dat deze de realiteit vormen, en hun gesprekken zullen gaan over de waarneming van deze realiteit.

De allegorie van Plato’s grot

Internationale Orde voor

Gemengde Vrijmetselarij

 

 

Loge Nr. 708 Plato Nederlandse Federatie

 

 

Wanneer één van de gevangenen zou worden losgemaakt en zou worden gedwongen plotseling op te staan en zijn nek om te draaien,  dan zou hij pijn lijden en door de schittering van het vuur niet in staat zijn de dingen duidelijk te onderscheiden, waarvan hij eerst alleen de schaduwen zag. De bevrijde man zal na enige gewenning, in plaats van de schaduwen,  de mensen, de dingen  en de gloed van het vuur in werkelijkheid kunnen zien. Als hij daarna de grot verlaat ziet hij het licht van de zon, de maan en de sterren. Dan beseft hij hoe onvolmaakt de schaduwen en de echo’s van de vroegere dagelijkse realiteit waren. Daarna zal hij concluderen dat de zon, zoals zij is,  het verloop van de seizoenen, de jaren en alles in de wereld van het zichtbare bestuurt. De man prijst zichzelf gelukkig en probeert om de opgedane ervaringen aan zijn medegevangenen mee te delen. Maar zijn medegevangenen vinden hem belachelijk en ze willen niet dat hij hen bevrijdt.

Plato stelt de zintuiglijk waarneembare wereld gelijk aan die van de gevangenis, het vuur is het licht van de zon en de weg omhoog naar de buitenwereld is de weg omhoog van de ziel naar de kenbare wereld, de Idee van het Goede, die slechts met veel moeite zichtbaar wordt. De gevangenis, de grot, is daarmee het evenbeeld van ons gewone denken. De werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, heeft de waarde van de schaduwen. De vrijgekomen gevangene beeldt de verheffing van de ziel tot wereld van de Ideeën uit. Om te kunnen zien is het niet voldoende dat iets zichtbaar is en dat wijzelf met gezichtsvermogen zijn toegerust. Er is nog iets anders nodig: Licht. Pas als de ogen zich richten op wat door de zon beschenen wordt, kunnen ze helder zien. En zo vergaat het ook de ziel, die zich richt op het Ware.

Volgens Ringoet (zie zijn  ‘Geschiedenis van de Westerse Filosofie’) blijft de problematiek die Plato aansnijdt brandend actueel. Wij zijn de gevangenen die enkel de schijn zien - de direct waarneembare wereld. De werkelijkheid wordt door de manipulatie van het machtsapparaat zoveel mogelijk onttrokken aan onze blikken. Geregeld worden wij door de media en door de autoriteiten ingelicht welke schijnwerkelijkheid achter de schaduwbeelden schuil gaat. Af en toe slaagt een enkeling er in om de grot van de schijn te verlaten en via juist inzicht leert hij de werkelijkheid kennen. Hij heeft dan ook alle moeite van de wereld om aan zijn medegevangenen mee te delen wat hij in werkelijkheid heeft gezien. Gewoonlijk wordt hij dan uitgelachen, vijandig bejegend of gemarginaliseerd.